Tot voor kort was – in ieder geval binnen mijn generatie – het meest voorkomende antwoord op de “hoe is het” vraag: “druk”.

Merkwaardige reactie eigenlijk. Want wat zegt dat nu? Vind je “druk” fijn of juist niet? Wat is er dan druk? En zegt het iets over de hoeveelheid afspraken in je agenda? Of over de manier waarop jij ermee omgaat? En hoe wil je dat ik daarop reageer?

Ik heb het ernstige vermoeden dat “druk” vooral een statussymbool geworden was. Een rechtvaardiging van ons bestaan misschien zelfs.

Als ik het druk heb, dan doe ik – zoals een goed calvinist betaamt – in ieder geval iets zinnigs met mijn leven.

Maar toen kwam corona. En, zoals een befaamd voetballer ooit zei: “elk nadeel heb z’n voordeel”. Want corona zorgde ervoor dat “druk” al snel plaats moest maken voor een nieuwe standaard. Maar of we daar nu zo gelukkig mee moeten zijn? Vorige keer schreef ik al over mijn eigen neiging om niet te klagen. Maar sindsdien hoor ik het overal om mij heen.

“Ik mag niet klagen” lijkt het nieuwe “druk”.

Ik mag niet klagen, want…

… ik ben gezond
… ik heb een baan en een dak boven mijn hoofd
… als dit vijftien jaar geleden was gebeurd had thuiswerken niet eens gekund

Maar intussen is mijn mentale gezondheid wel voor verbetering vatbaar, zie ik mijn collega’s al een jaar lang enkel digitaal en verlang ik tijdens de achtste videovergadering van de dag oprecht naar een ochtend in de kantoortuin.

Natuurlijk kan het erger, maar hoe relevant is dat?

In het nieuwste boek van Brené Brown las ik deze week het volgende:

Als we denken dat onze empathie eindig is, zoals een pizza, en dat als we empathisch zijn tegenover iemand er minder stukken voor anderen overblijven, dan zou het vergelijken van niveaus van lijden noodzakelijk zijn. Gelukkig is onze empathie echter oneindig en onuitputtelijk. Hoe meer we geven, hoe meer we allemaal hebben. Dat betekent dat we alle pijn met empathie kunnen ontvangen: er is geen reden om pijn in te delen van erg naar minder erg en onze empathie te rantsoeneren. (Brené Brown, Durf te leiden, pagina 177.)

Dat dus. Zo goed had ik het niet kunnen zeggen.

Natuurlijk helpt het niet om in zelfmedelijden te blijven hangen. Maar wie echt bang is daar terecht te komen is er doorgaans nog heel ver van verwijderd.

Dus alsjeblieft: laten we wat vaker klagen. Het liefst tegen een mens van vlees en bloed. Naar elkaar luisteren. Want – nog z’n gouwe ouwe – gedeelde smart is immers halve smart?