Search

Een meisje onderweg

En ik dan?

Eens kreeg ik het verwijt geen empathisch vermogen te bezitten. Lang heb ik dat voor waar gehouden, mezelf als koud, onverschillig zelfs, gezien. Totdat anderen me begonnen te beschrijven als warm, belangstellend, oprecht geïnteresseerd.

Terugkijkend denk ik dat diegene doelde op mijn ongeduld met mensen die me niet volgen, niet begrijpen. Dat is – hoewel sindsdien ook wel enigszins verminderd – inderdaad niet geheel onherkenbaar.

Luisteren kan ik echter wel.

Ergens ben ik er trots op dat anderen hun hart bij me luchten. Dat gesprekken met mij blijkbaar “ergens over gaan”. Een vriendin vertelde me – terwijl we samen reflecteerden onder het genot van thee en chocolade – dat ze, meegenomen door mijn zoektocht naar kwetsbaarheid, zelf ook opener is geworden. Mooi vind ik dat.

Al is het alleen al omdat die hele reis van mij dus blijkbaar “nuttig” is.

Toch gaat het daar ook mis. Misschien luister ik wel teveel.

Het is ook zo gemakkelijk mezelf te verschuilen achter en het leed en de vreugde van anderen. Het is zo veilig enkel begrip te hoeven tonen, mee te hoeven leven. Toegegeven, deze blog is zeldzaam openhartig, maar wat ik deel heb ik volledig in de hand. En, hoewel nooit de stille factor in een conversatie, kan ik al pratend toch heel weinig zeggen.

Soms blijft er na een weekend vol zorgen van vriendinnen niets over dan “en ik dan?”

En ik besef dat ik dat ook wel heel erg zelf doe. Want waarom vraag ik niet ook gewoon aandacht voor mijn verhaal, voor waar ik echt mee zit?

Omdat hulp vragen toch nog steeds als zwakte voelt.

Ik vraag me af of al die krachtige, zelfstandige, single vrouwen het zich daarin met mij zo moeilijk maken. Nauwelijks durven toegeven dat we dat lampje eigenlijk niet zelf op kunnen hangen. Liever weken de douchekop vasthouden dan iemand vragen de houder te repareren. En zeker niet erkennen dat we ons perfect ingerichte, comfortabele huis soms best zouden willen inruilen voor iemand die op ons wacht.

Dat mag dan een verklaring zijn, het is zeker geen excuus.

We zijn als mensen voor elkaar gemaakt (“en dat is dus breder dan het huwelijk!” – aldus de dominee). Hulp vragen is ook: de ander de gelegenheid geven er voor jou te zijn. Door me te verschuilen achter mijn eigen luisterend oor doe ik niemand goed.

Dus niet alleen maar voor mezelf: ik wil, heel voorzichtig, proberen te delen waar ik echt mee zit.

En mocht ik het vergeten, wil je dan, alsjeblieft, geen genoegen nemen met een oppervlakkig antwoord op de vraag hoe het met me gaat?

Want ik heb je harder nodig dan ik toe zou willen geven.

En eigenlijk is dat wel mooi ook.

* Ja, echt, waargebeurd. Inmiddels is-ie vervangen. Het duurde wel even. Tot ik om hulp vroeg dan, daarna was het binnen een dag geregeld.

Ik wil er niet komen, ik wil er zijn.

Zin één van zo ongeveer elke motivatiebrief die ik ooit schreef: “Ik ben nieuwsgierig en leergierig en…”. Ik kan het niet ontkennen: ik geniet van bergen nieuwe informatie, vind het heerlijk om ergens snel thuis te raken en overal iets van af te weten. Toch is het niet helemaal waar.

Eigenlijk houd ik namelijk niet van leren: ik wil enkel kunnen.

Ik bedoel dit: zo rond mijn twaalfde verjaardag ging ik op pianoles. Oefenen vond ik niets, ik droomde enkel van het moment dat ik de sterren van de hemel zou kunnen spelen. Weinig verrassend: dat moment is nooit gekomen en ik raak nog zelden een piano aan.

Je zou denken dat ik, vijftien jaar en heel wat zelfreflectie verder, wel iets geleerd zou hebben. Maar helaas.

Drie weken geleden begon ik aan mijn nieuwe baan. Nog niet “op een opdracht” heb ik alle tijd om er rustig in te komen. Toch stond ik na één week werken alweer stijf van spanning. Letterlijk. “Niemand verwacht van je dat…”, verzekerden mijn collega’s mij. Maar ze vergisten zich: ze vergaten mij.

Hoe onrealistisch ook, ik verwacht wel degelijk van mijzelf dat ik binnen één week volledig operationeel ben en van grote toegevoegde waarde voor de maatschappij.

“Voor wie wil je dat eigenlijk?”, was de vraag die als een soort groot, fluorescerend stopteken werkte. “Voor mezelf”, antwoordde ik beschroomd om mij vervolgens in een diepe put van zelfverwijt te storten.

Had ik nu nog niet geleerd mezelf te waarderen, onafhankelijk van wat ik doe? Niet zo hard te oordelen over wie ik ben? Mezelf niet langer te zien als de optelsom van alles wat ik ooit bereikte?

Waar waren de afgelopen maanden dan goed voor geweest?

Toch stopte mijn vrije val daar, veel eerder dan ik had verwacht. Diep vanbinnen kwam iemand in opstand, iemand die zich lang verborgen had gehouden. Ik had wel degelijk iets geleerd!

Alleen leren leren, dat is gewoon het aller, aller moeilijkst.

En dat is precies waar ik mee bezig ben.

Ik leer te vallen en weer op te staan. Niet vol verwijt te blijven liggen, maar met de haast paradoxale combinatie van moed en geduld weer verder te gaan. En zelfs dat hoef ik nog niet te kunnen. Misschien is het niet zomaar dat mijn agenda nog niet helemaal is volgeboekt: zo leer ik immers veel, veel meer.

En nee, dat is niet ineens leuk ofzo. Maar goed is ook niet hetzelfde als comfortabel. Goed is veel meer dan comfortabel.

Het brengt me terug bij waar het ooit begon: het gaat niet zozeer om het diploma, de zwemles zelf is minstens zo de moeite waard.

Steeds sterker vraag ik me overigens af of er überhaupt wel zoiets als een diploma is. Dat deel van mij dat de motivatiebrief vervolgt met “ik ben resultaatgericht…” heeft daar nog flinke moeite mee. Tegelijk heeft het iets van een bevrijding.

En eigenlijk is dat ook wat ik allang geloof: “Als ik niet meer God of mensen [of mezelf] hoef te behagen ben ik werkelijk vrij…”.*

Misschien kom ik er nooit. Maar ik leer wel.

* Met dank aan de preek van zondagavond.

Wéér.

Tweede Pinksterdag, half zeven ‘s ochtends. Ik had mezelf toestemming gegeven de wekker niet te zetten, maar was wakker geworden van de buikpijn. Slapen was verleden tijd.

De vrijdagmiddag ervoor had ik een tweede gesprek bij een consultancybedrijf. Daar waar ik vooraf heel ontspannen was en het gesprek een prettige kennismaking, kon ik nu letterlijk niet eten van de spanning. Ik zou pas na het weekend van ze horen en kon niets doen dan wachten. Ik wilde die baan dolgraag hebben, maar mijn lot lag in hun handen.

Zo voelde het althans. Ik weet ook wel dat het zo niet werkt. Maar geloven en ervaren zijn twee heel verschillende dingen. Echt waar.

Spontaan werd ik een voorstander van het afschaffen van tweede feestdagen. Waarom moest nu net dit weekend drie volle dagen tellen? Slap als ik was had ik het concert van die middag al bijna afgezegd en mijn familie, mijn vrienden gevraagd voor me te bidden. “Overgeven”, stuurde de één. “Zoek afleiding”, zei de ander. Gelijk hadden ze allemaal, maar niemand raakte zo de kern als de vriendin die appte:

“Waarom oordeel je jezelf nu? Aanvaard gewoon dat je het spannend vindt, dat je buikpijn hebt. En probeer vooral niet heel hard los te laten.”

Want dat was precies waar ik mee bezig was. En ogenblikkelijk deed ik er nog een schepje bovenop. Hoe kon ik nu weer in diezelfde valkuil stappen? Krampachtig proberen los te laten: is het niet logisch dat dat mislukt?

Maar wacht. Ik had hulp gevraagd. Ik had blijkbaar mijn probleem gedeeld. Hoe anders immers kende mijn vriendin die valkuil überhaupt? Over kwetsbaarheid gesproken.

Misschien komt ooit de dag dat ik die kuil van veraf zie, er met een grote boog omheen kan lopen. Zover is het bij lange na nog niet. Dat kan ik nu mezelf verwijten. Ik kan ook blij zijn dat ik al wel doorheb dat ik gevallen ben. En dat ik er daardoor – met een beetje hulp – ook een stuk sneller uit kan klimmen.

Want daar zit precies het punt. Van af en toe “wil je me helpen” blijk ik veel gelukkiger te worden dan van altijd maar “ikke zelf doen”.

Dat doet me denken aan mijn allereerste post. Of eigenlijk aan een reactie daarop. Ik vroeg me destijds af of ik wel echt beschikbaar was, zelfs wilde zijn. Een vroegere collega schreef me toen: “Wil je niet liever bereikbaar zijn (…) voor jezelf en voor anderen?”

Ja!

Met enige regelmaat bekenden anderen mij iets als: “Ik keek altijd zo tegen je op”. Ik schrok daarvan, schaam me er een beetje voor. Ik dacht dat ik juist helemaal niet anders wilde zijn. Waarom sloot ik me dan zo hoog op in mijn ivoren toren?

Echt, ik ben ook maar gewoon een mens.

Net als de winkelier op de hoek die tegenwoordig spontaan een praatje met me maakt. Dat heb ik ook gewoon nodig namelijk: een vriendelijk gezicht.

Net als die talloze familieleden, vrienden, oude en nieuwe bekenden die in de afgelopen maanden niet alleen in mijn hart keken, maar mij ook een blik in het hunne gunden. Dat hebben we allemaal nodig namelijk: echt verbinding met elkaar.

Als ik zou moeten samenvatten wat die periode me heeft gebracht, me heeft geleerd, zou het daarop denk ik uitkomen.

Ik ben genoeg. Ik kan heel veel, maar hoef het echt niet allemaal alleen te doen.

Want samen is het leven zoveel mooier.

Dank jullie wel!

P.S. Het was allemaal niet helemaal voor niets. Ik ben die dag gewoon gaan zingen en heb ervan genoten. En inmiddels heb ik ook die felbegeerde baan.

Je bent nooit klaar. Hooguit gereed.

Best kans dat je me onlangs hebt horen praten over “de afgelopen periode”. Alsof er iets afgesloten is. Om eerlijk te zijn had ik anderen nodig om me erop te wijzen. Ze hebben gelijk: er is niets afgelopen, niets echt voorbij.

Natuurlijk zijn er dingen veranderd. Verbeterd ook. Ik heb meer energie en minder pijn. Ik doe meer en slaap minder. Mijn enthousiasme is grotendeels terug en het idee ooit weer te gaan werken jaagt me echt geen angst meer aan.

Maar nee, de oude wordt ik nooit meer. Ik zou het ook niet willen.
Of eigenlijk, toch soms even wel.

Het punt is: die nieuwe Erika, die kwetsbare kant van mij, die vind ik echt wel mooi. Maar de oude ik, de sterke versie, die vind ik gewoon veel leuker. En ik wil nu wel weer eens gewoon leuk zijn.

Misschien is dat ook wel gewoon gezond. Daar waar de afgelopen maanden de muur afbrokkelde, ik niet alleen een stoere carrièrevrouw bleek te zijn, ben ik immers ook niet enkel een kwetsbaar meisje. Ze zijn er allebei en misschien is dat ook wat echt krachtig maakt.

Dikke vriendinnen zijn ze nog niet. De stoere vrouw vindt het meisje maar een zwak schepsel. En het kwetsbare meisje vraagt zich af of ze wel een powervrouw mag willen zijn.

Maar wie weet komt dat vanzelf.

En dat, die zin, dat die hierboven zwart op wit staat, laat misschien wel de grootste verandering zien. Hoe cliché ook, het lijkt erop dat ik, heel langzaam, leer los te laten.

“Ik denk gewoon veel te moeilijk over het leven”, zei ik een paar weken geleden tegen mijn coach. We waren net tot de conclusie gekomen dat ik al hartstikke veel geleerd had, maar toch kon ik de spanning niet van me af laten glijden.

“Jij denkt. Punt. Dat is het probleem”, was zijn antwoord.

Om te vervolgen: “Je zou gewoon wat meer moeten vertrouwen”. Daar stond ik, die zegt te geloven in zoveel meer dan het lot; in een God die alles in Zijn handen heeft, met een mond vol tanden.

Geen deadlines meer dus. Geen grote doelen en ambities. Geen antwoord op de “waar zie je jezelf over vijf jaar” vraag. Dat voelt vooralsnog behoorlijk ongemakkelijk. En ik weet ook niet hoe ik het uit ga leggen in een sollicitatiegesprek.

 

En toch ga ik het proberen. Onzeker is de toekomst toch wel. Waarom zou ik me daardoor laten tegenhouden?

Want net als dat je niet kunt zeggen dat het over is, kun je ook nooit ergens echt klaar voor zijn; hooguit gereed.

(En dat mijn broer die uitspraak ook niet van zichzelf heeft maakt niet uit. Waar is-ie toch wel.)

Grote meid

Je kent ze wel: van die mensen die een paar keer per jaar je pad kruisen. Je komt ze tegen op een feestje, een verjaardag, een conferentie. Spontaan voeg je ze toe op Facebook. Handig: zodra je elkaar weer ontmoet kun je vragen naar die mooie reis, die nieuwe baan.

Totdat.

Bijna drie weken geleden: een Bijbelstudieweekend met zeker dertig van zulke min of meer bekenden. De gebruikelijke herkenning, maar vreemd genoeg leek de vraag “hoe is het” voor hen knap lastig om te stellen. Ongemakkelijk voelde het en haast schoorvoetend volgde dan: “ik lees je blog”.

Ik had het kunnen weten. En ik had er geen seconde over nagedacht. Gelukkig maar, misschien.

Ja, het meisje onderweg is heel persoonlijk, open, kwetsbaar. Toch blijft ze op vertrouwd terrein. Zelf bepaalt ze wat ze deelt – en wat niet -, kiest ze haar moment. Mensen reageren, maar een antwoord mag altijd even op zich laten wachten.

Maar daar, met die vraag, werd dat meisje weer gewoon Erika, bleken al die “site views” afkomstig van echte mensen. Mensen die met het stellen van hun vraag bewust een meer-dan-eenlettergrepig antwoord riskeerden. Mensen die daarmee zelf – zo vergat ik even – net zo kwetsbaar wilden zijn.

Mooi eigenlijk. Maar ik moet er wel aan wennen.

Nu die muur wordt afgebroken, komen anderen ineens wel heel veel dichterbij. Ik ken dit leven niet: die muur stond er al zo lang.

In mijn eigen herinnering ben ik een eenzame, onbegrepen kleuter. Een kind, in stilte schreeuwend om een knuffel. “Maar”, zei mijn moeder, “dat wilde jij helemaal niet. Je wilde nooit op schoot. Als ik voorlas, zat jij er liever naast”. Ik had geen troost, geen warmte nodig. Ik was een grote meid.

Ik weet niet waar het misging. Hoe een kleuter al onbereikbaar kan willen zijn. Het is ook niet meer zo belangrijk.

Feit is dat die muur meer dan twintig jaar met me mee is gegroeid. Breder, dikker, hoger geworden is. Groter, net als ik. En nu moet ik het zonder doen.

Natuurlijk is dat bevrijdend. Maar ook vreselijk eng.

Ik voel me naakt. Ben bang voor pijn. Want als er geen muur meer is, wat biedt je dan bescherming?

“Waarom zou je de wereld niet gewoon op je af laten komen”, zei mijn vader. Hoe erg kan het eigenlijk zijn? Ja, misschien wordt je aangevallen, diep gekwetst. Maar werkt voelen niet altijd twee kanten op?

Geen pijn, geen vreugde.
Geen lijden, geen liefde.
Geen dood, geen leven.

Wat is leven zonder vreugde, zonder liefde?
Laat mij dan maar naakt zijn, klein.

“Wil je nu medelijden of een nieuwe baan?”

Zo luidde onlangs de vraag van een recruiter. Ik was eerlijk geweest over mijn neiging teveel van mezelf te verwachten. Heel normaal, dacht ik, om naast je zwakke punten ook je valkuilen te benoemen. Niet naar zijn idee, zo bleek, want: “welke werkgever zit er nu te wachten op iemand met een burn-out risico?”

Het gesprek liep, bijzonder ongemakkelijk, uit op een halve ruzie. Vriendinnen kregen appjes waar de verontwaardiging vanaf droop. Denk maar niet dat ik daar ooit nog wilde werken. Boos was ik. Maar om eerlijk te zijn diende die woede slechts één doel: mijn tranen te verbergen.

Ik was gekwetst. En nee, ik denk niet dat de beste man die vraag had mogen stellen. Maar – zo stelde mijn coach fijntjes vast – ik was zelf degene die het me aantrok, die de rest van de middag van slag bleef.

En dat is nu precies het probleem: ik doe het hartstikke zelf. Na mijn laatste post reageerden mijn vaders collega’s verbaasd: “Hoe kan dit de dochter zijn waar jij altijd zo vol trots over praat?” Als ik erover nadenk snap ik hen wel, en mezelf niet meer. Maar feit is dat ik het doe. Zoals vorige week, toen iemand zei: “Wat fijn dat je je mening durft te geven in zo’n groep”. Dat hoorde ik helemaal niet; ik hoorde: “Je bent wel iets te nadrukkelijk aanwezig”.

Die muur die ik om mezelf heb opgetrokken zorgt er dus niet alleen voor dat niemand mij echt kan zien, maar belemmert ook mijn eigen uitzicht, vervormt wat er van buiten naar binnen komt.

Wat zonde! Waarom doe ik dit mij aan? Ik heb de neiging om boos op mezelf te worden. Maar volgens mij doe ik dan weer precies hetzelfde.

Misschien is het goede nieuws dat, als ik zelf de oorzaak ben, de oplossing ook niet ver kan zijn.

Dus nee, ik wil geen medelijden. Ik ben niet zielig. Of: ik wil niet zielig zijn. Vooral: ik wil niet dat je me zielig vindt. Maar als medelijden ook zonder oordeel kan, een knuffel is, of een kaartje, doe dan toch maar wel. Want misschien leer ik dan eindelijk ook een beetje liever, een beetje milder voor mezelf te zijn.

En een baan? Ja, toch weer wel. Want als ik tussen de restanten van mijn afbrokkelende muur door naar buiten kijk zie ik dat de zon schijnt. Dat er blad is aan de bomen. Dan realiseer ik me dat ik vorige week mijne eerste pijnvrije dag in jaren had. En dat ik me af en toe zelfs begin te vervelen.

Maar dan wel ergens waar ze me helemaal willen hebben.

Niet dat er iets mis is met m’n zelfvertrouwen

Ik heb het mezelf in de afgelopen maanden tientallen keren horen zeggen. “Ik heb dan wel een coach, maar die helpt me vooral richting te bepalen: ik weet niet zo goed meer wat ik wil.”

Niet dus.

Welkom in de werkelijkheid. Niet wat ik wil is het probleem, maar wie ik ben. Of eigenlijk: wie ik mezelf laat zijn.

Onverwacht misschien, voor degene die door haar blogs de hele wereld in haar ziel laat kijken. Vreemd wellicht, voor het refomeisje dat Bedrijfskunde studeerde en koos voor een baan in de financiële sector. Raar zelfs, voor degene die drie weken alleen vakantie vierde en de dag erna haar baan opzegde.

Zelfvertrouwen is dan ook niet echt het juiste woord. Ik geloof best dat ik dingen kan. Heb na de derde klas geen onvoldoende meer gehaald. Krijg zelden anders dan positieve feedback. Als ik maar bevestiging krijg. Daar ben ik dan ook haast wanhopig naar op zoek.

Opgegroeid in een cultuur waar veel is “omdat het hoort”, wil ik vooral niet anders zijn. Met het eeuwige stempel “hoogbegaafd” doe ik er alles aan niet op te vallen. Buitengesloten in de brugklas blijf ik doodsbang er niet bij te horen. “Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad” vergeet ik dat ik tegelijk een geliefd kind van de Vader ben.

Zelfbeeld is wat ik eigenlijk bedoel. Ik ben doodsbang voor wat je van me vindt. Heb helemaal geen olifantenhuid. Trek me alles aan.

Als ik straks een nieuwe functie vind, moet dat wel echt mijn droombaan zijn. Ik kan dan stoer mijn baan opgeven, maar moet het de wereld wel uit kunnen leggen. Toen iemand me laatst vroeg of ik “overspannen ben” wist ik niet hoe snel ik moest ontkennen. Overspannen: dat is, net als niet weten en onzekerheid, falen van het ergste soort.

Zijn “dat is geen schande” drong pas veel later tot me door. En ik hoor het je nu ook denken. Dat doet me goed. Echt waar. Toch is het niet genoeg.

Voor het oordeel van anderen ben ik namelijk bang. Maar dat van mezelf is vele malen harder.

Het zijn de kleine dingen. Helaas komen die het vaakst voor. Het moment dat ik wéér niet van een puistje af kan blijven, van de snooze knop, van chocola of van mijn telefoon. Of iets groter: met een moeder in maatje 36 vind ik mezelf eindeloos te dik. Zevenentwintig en nog steeds alleen ben ik ervan overtuigd dat ik gewoon niet leuk genoeg ben. Van de lach die anderen “uitbundig” noemen heb ik een diepe afkeer. En met elk taartje dat ik eet, elke avond alleen op de bank en elke uitbarsting van hilariteit kan ik mezelf wel slaan. Eigenlijk doe ik dat ook. Alleen niet fysiek.

Ik zit vast in mijn eigen vooroordelen. En misschien is dat precies wat me ervan weerhoudt om echt te zijn.

Misschien kun je pas zijn als je eerst accepteert wie je bent.

Wacht maar af

Ik bungel ergens tussen hoop en vrees. Of eigenlijk slinger ik er heel hard heen en weer.

“Bij jou is het altijd direct zo groots en meeslepend”, zo becommentarieerde een vriendin laatst mijn verliefdheden. Ze kan het weten: heeft er echt voldoende meegemaakt. Bij “een beetje verliefd” kan ik me dus ook helemaal niets voorstellen: ik doe of voel nooit iets een beetje. Dat en-en van de vorige keer vind ik zelf dus nog helemaal niet zo makkelijk.

Schijnt de zon, is de pijn beperkt, dan kan ik heel de wereld aan en die nog verbeteren ook. Zit het even tegen, dan zak ik pijlsnel weg in een diepe put van zelfmedelijden, overtuigd dat het nooit, maar dan ook nooit, meer beter wordt.

Terwijl ik daar slinger, proberen mijn voeten steeds weer vaste grond te raken.

Zo’n twee jaar geleden was ik, vol met mijn gebruikelijke enthousiasme, net drie maanden aan het werk als teamleider. We kwamen van ver, zetten mooie stappen, maar mij ging het niet snel genoeg: “tevreden” komt net zo min in mijn woordenboek voor als “een beetje”.

“Je zou eens gewoon moeten zijn”, zei mijn eigen leidinggevende tegen me. Die zin leverde me ongeveer net zoveel kriebels op als “je ding doen” of “dichtbij jezelf blijven”. Daarnaast zette het mijn hersens in de allerhoogste versnelling: er is toch juist veel meer wat er toe doet dan het hier en nu; ik geloof nota bene in eeuwig leven.

Toch had ze denk ik wel een punt. Als ik even van een afstandje naar mezelf kijk, ben ik inderdaad altijd maar aan het worden; nooit kan ik eens zijn. Steeds leg ik mijn lat weer hoger; nooit ga ik er eens op zitten om van het uitzicht te genieten. En dat maakt me moe, want ik kan wel denken dat dat allemaal moet, maar het kan gewoon niet: ook ik ben maar een mens.

“Wacht maar af / Je bent nu hier / En dat is goed”, hoorde ik Matthijn Buwalda laatst zingen. Dat zou ik zo graag willen voelen. Weg hoop en vrees, weg slingeren vooral. Weg latten, weg verwachtingen, weg oordelen en eindeloze ontevredenheid.

Misschien komt er juist dan weer ruimte om vooruit te kijken. Om wel te hopen, te vertrouwen dat het ooit weer beter wordt. Het liedje gaat namelijk verder: “Maar als straks de zon weer komt…”. Dan zijn er vast nog donkere dagen, maar net zo min als één zwaluw zomer maakt, betekent een dag regen dat het nooit meer lente wordt. Wacht maar af.

Misschien moet ik me gewoon eens laten zakken, mijn voeten de grond laten raken, stilstaan.

Ik wil je graag zeggen dat het beter met me gaat

Maar dat is gewoon niet altijd waar.

Nu ik niet meer met een standaard “druk” kan antwoorden, lijk ik die vraag nog vaker te krijgen dan normaal: hoe gaat het met je? Ik bedoel niet al die keren dat het simpelweg een variatie is op “goedemorgen”. Ik heb het juist over al die vrienden, collega’s, ooms en tantes en gemeenteleden die oprecht hopen dat ik op die vraag antwoord dat het al wel beter met me gaat.

En ik heb mezelf in de afgelopen maand al tientallen keren precies dat horen zeggen. Maar om eerlijk te zijn: het is niet altijd waar.

Ja, de pijn is minder en ik loop zelfs weer hard. Vrienden, familie- en gemeenteleden zetten hun deuren en harten voor me open. Onlangs hoorde ik mezelf weer voor het eerst vol vuur een verhaal vertellen. En ik heb eindelijk tijd voor die enorme stapel boeken.

Maar intussen ben ik regelmatig doodmoe van een kwartiertje fietsen. Raak ik in paniek omdat iedereen zegt dat “ik er wel kom”, maar ik geen idee heb waar “er” dan is. Voel ik me, alleen thuis, soms hartstikke eenzaam. Ben ik het geloof in mezelf echt wel een beetje kwijt, en soms ook dat in God.

Dus ja, ik lach nog altijd even uitbundig, maar wil soms liever huilen. Ik ben dankbaar voor de mooie momenten, maar had het echt liever anders gewild.

In een iets andere context zei een vriendin onlangs tegen me dat het niet altijd of/of is, maar ook en-en kan zijn. Ik denk dat het hier ook voor geldt. Ik kan me verdrietig en dankbaar voelen, verlangen en tevreden zijn.

Dus nee, het gaat niet altijd goed met me. Maar En ik ben ook niet ongelukkig.

Liefs, Erika

P.S. Blijf het vooral vragen trouwens: hoe het met me gaat. Tenminste, als je niet bang bent voor een meer-dan-eenlettergrepig antwoord. Of beter misschien: vraag hoe mijn dag was, of mijn week. Dat is een stuk makkelijker zegeningen tellen.

dsc_0155

Blog at WordPress.com.

Up ↑