Search

Een meisje onderweg

Category

Uncategorized

Nogmaals: ik mag niet klagen

Tot voor kort was – in ieder geval binnen mijn generatie – het meest voorkomende antwoord op de “hoe is het” vraag: “druk”.

Merkwaardige reactie eigenlijk. Want wat zegt dat nu? Vind je “druk” fijn of juist niet? Wat is er dan druk? En zegt het iets over de hoeveelheid afspraken in je agenda? Of over de manier waarop jij ermee omgaat? En hoe wil je dat ik daarop reageer?

Ik heb het ernstige vermoeden dat “druk” vooral een statussymbool geworden was. Een rechtvaardiging van ons bestaan misschien zelfs.

Als ik het druk heb, dan doe ik – zoals een goed calvinist betaamt – in ieder geval iets zinnigs met mijn leven.

Maar toen kwam corona. En, zoals een befaamd voetballer ooit zei: “elk nadeel heb z’n voordeel”. Want corona zorgde ervoor dat “druk” al snel plaats moest maken voor een nieuwe standaard. Maar of we daar nu zo gelukkig mee moeten zijn? Vorige keer schreef ik al over mijn eigen neiging om niet te klagen. Maar sindsdien hoor ik het overal om mij heen.

“Ik mag niet klagen” lijkt het nieuwe “druk”.

Ik mag niet klagen, want…

… ik ben gezond
… ik heb een baan en een dak boven mijn hoofd
… als dit vijftien jaar geleden was gebeurd had thuiswerken niet eens gekund

Maar intussen is mijn mentale gezondheid wel voor verbetering vatbaar, zie ik mijn collega’s al een jaar lang enkel digitaal en verlang ik tijdens de achtste videovergadering van de dag oprecht naar een ochtend in de kantoortuin.

Natuurlijk kan het erger, maar hoe relevant is dat?

In het nieuwste boek van Brené Brown las ik deze week het volgende:

Als we denken dat onze empathie eindig is, zoals een pizza, en dat als we empathisch zijn tegenover iemand er minder stukken voor anderen overblijven, dan zou het vergelijken van niveaus van lijden noodzakelijk zijn. Gelukkig is onze empathie echter oneindig en onuitputtelijk. Hoe meer we geven, hoe meer we allemaal hebben. Dat betekent dat we alle pijn met empathie kunnen ontvangen: er is geen reden om pijn in te delen van erg naar minder erg en onze empathie te rantsoeneren. (Brené Brown, Durf te leiden, pagina 177.)

Dat dus. Zo goed had ik het niet kunnen zeggen.

Natuurlijk helpt het niet om in zelfmedelijden te blijven hangen. Maar wie echt bang is daar terecht te komen is er doorgaans nog heel ver van verwijderd.

Dus alsjeblieft: laten we wat vaker klagen. Het liefst tegen een mens van vlees en bloed. Naar elkaar luisteren. Want – nog z’n gouwe ouwe – gedeelde smart is immers halve smart?

“Ik mag niet klagen”

Een week of wat geleden was het weer zover: ik was mezelf voorbijgelopen. Mooi is dat eigenlijk: dat als je je hoofd te vol stopt, je lichaam op een gegeven moment protesteert.

Meestal gebeurt het in de winter. En doorgaans kom ik wet met “een griepje” als ik me ziekmeld. Ik blijf twee dagen thuis, voer een paar goede gesprekken, maak wat afspraken met mezelf en het gaat alweer een heel stuk beter.

Maar niet dit jaar. “Een griepje” bleek ineens geen geruststellende verklaring meer. “Is het corona?” en “Heb je je al laten testen?” vroeg iedereen.

Er zat niets anders op dan eerlijk te zijn.

Zo van een afstandje verbaas ik me erover. Hoelang pleit ik al niet voor openheid, kwetsbaarheid? De hele wereld heeft toegang tot mijn mentale voorgeschiedenis en daar heb ik me nog nooit voor geschaamd.

Maar op het moment zelf toegeven dat het even niet meer gaat blijkt stukken moeilijker dan er na afloop over schrijven.

Ik had ook dit keer eigenlijk niet zo heel veel nodig. Die twee dagen rust, een lang gesprek met een vriendin, een stevige wandeling en een maaltijd bij mijn ouders maakten het leven alweer een heel stuk lichter.

Maar dat kleine beetje hulp, daar kon ik dus niet zonder.

En dat vond ik lastig om toe te geven. Daarom duurde het denk ik ook zolang. Maar toen ik er eenmaal eerlijk over was, bleek er alle begrip voor. En eigenlijk is dat ook helemaal niet raar: ik zou het zelf ook hebben.

Meer dan dat: het leverde de mooiste gesprekken op. Ik blijk helemaal niet de enige die worstelt met het gebrek aan daglicht, de dagen die in elkaar overvloeien, het ontbreken van zo’n beetje alles wat de winter normaal gesproken kleur geeft.

En ik weet: er zijn zoveel mensen die het oneindig veel zwaarder hebben dan ik. Er zijn nog zoveel mooie dingen in het leven. En van zegeningen tellen word je doorgaans echt een gelukkiger mens.

Maar toch is “ik mag niet klagen” (hardop tegen een ander of onbewust tegen jezelf) misschien niet altijd het beste antwoord.

Misschien is het eigenlijk veel beter dat gewoon iets vaker wel te doen.
Het zou zomaar tot verbinding kunnen leiden.

Laat het maar pijn blijven doen

Een week of wat geleden ging ik, voor het eerst in maanden, weer uit eten met een vriendin. We fietsten door de stad, de zon scheen op de gracht, de terrassen zaten vol en het geroezemoes steeg op van de werven: Utrecht op z’n aller-allermooist.

Even leek het leven weer normaal.

En gelukkig zijn er steeds meer van die momenten. Ik heb voor het eerst mijn collega’s weer in het echt gezien, ben samen met anderen naar de kerk geweest en schrijf deze post vanuit een appartement in Oostenrijk.

Langzamerhand ontstaat er ruimte, kunnen we dieper ademhalen.
En tegelijk blijft het pijnlijk.

Want toen die collega’s en ik na een geslaagde (digitale) teamdag elkaar uit enthousiasme een high-five gaven, grepen we erna onmiddellijk naar het desinfectiemiddel. In die kerk kunnen we nog niet doen waar we eigenlijk voor komen: voluit zingen – de manier waarop we ons geloof beleven blijkt ineens vol risico’s. En hoe leuk het ook is dat ik mijn opa en oma via hun nieuw verworven iPad mijn vakantiedorp kon laten zien, ze een knuffel geven zit er voorlopig niet in.

Het is niet het nieuwe normaal.
En wat mij betreft wordt het dat ook nooit.

Ergens in de Bijbel staat “wees dankbaar in alles”. Dat lijkt een onmogelijke opgave, tot je goed kijkt naar het voorzetsel dat er staat. De oproep is niet overal dankbaar voor te zijn, dat zou volstrekt onmenselijk zijn. Maar wat wel kan is om in alles wat er gebeurt te blijven kijken naar de lichtpuntjes, de zegeningen, zo je wilt.

En volgens mij vinden we dat moeilijk, ik voorop.

Eerder schreef ik al geneigd te zijn naar de schaduwzijde van het leven te kijken en weinig zon te zien. Ik blogde over kwetsbaarheid en pijn en soms leek dat het enige te zijn waar mijn leven uit bestond. En nu het beter met me gaat deel ik alleen nog de “kijk eens wat de coronatijd me voor moois heeft gebracht” momenten.

Echt eerlijk is het niet. Ik zou beter moeten weten.

Blijkbaar denk ik zwart-witter dan ik doorheb, is er weinig ruimte voor nuance. Is het moeilijk te leven met pijn en dankbaar te zijn. En is het makkelijk om de mooie dingen te delen en over het verdriet heen te leven. En volgens mij ben ik niet de enige.

Misschien is de kunst wel te leven met het en-en.
En ook dat schreef ik eigenlijk al eerder.

Laten we blij zijn met de ruimte die we weer hebben. Maar laten we het alsje-alsjeblieft nooit normaal gaan vinden. Laat het maar schuren, pijn blijven doen. Laten we blijven verlangen naar een dag waarop we weer echt bij elkaar kunnen zijn.

En tot die tijd dankbaar zijn in alles.

Niets bijzonders

Mijn vorige post riep heel wat reacties op. Begrijpend, bemoedigend, geschrokken soms. Collega’s die appten, vrienden die me opzochten, contacten van lang geleden die hun verhaal met me deelden.

Maar de meest rake reactie was die van mijn broer die me belde en zei: “Maar Erika, dat is toch niets bijzonders?!”

Niets bijzonders?
Ik had zojuist mijn ziel opengelegd voor het wereldwijze web.
En dat was niets bijzonders?

Ik voel de verontwaardiging weer, weet nog precies waar ik reed. En toch: hij had gelijk. En meer dan dat: zijn reactie vatte precies samen waar ik – misschien onbewust – naar op zoek was.

Want de lijn in al die reacties is herkenning: te weten niet alleen te zijn. Wederzijdse kwetsbaarheid als anderen durven toegeven hun bed ook wel eens niet uit te willen komen. Open gesprekken, echt contact.

We zijn heus niet allemaal hetzelfde. Ik blijk te kunnen schrijven, te kunnen verwoorden waar een ander mee worstelt. En dat is bijzonder – een gave, zo je wilt.

Maar het gevoel zelf, de worsteling van het leven in een gebroken wereld, dat is verre van uniek. We zijn immers allemaal mensen. Mensen die elkaar keihard nodig hebben.

Ooit schreef ik al over de angst om anders te zijn, het streven om niet op te vallen, de wens erbij te horen. Ik was bang voor het oordeel van anderen, maar realiseerde me ook dat dat van mezelf vele malen harder was.

Terugkijken doet me schrikken, maar maakt me ook dankbaar dat ik sindsdien echt wel heb geleerd – iets – milder naar mezelf te kijken. En ik ben ervan overtuigd dat al die reacties in de loop der jaren daar een belangrijke rol in hebben gespeeld.

Wat wel belangrijk is: met mezelf heb ik de afspraak dat ik niets publiceer wat ik niet eerst heb gedeeld met iemand die dichtbij mij staat.

Schrijven kan namelijk een een manier van – opnieuw – verstoppen zijn.

Ik bepaal immers zelf precies wat ik deel en wat niet en hoef er niet echt over te praten. En dat is niet eerlijk. Niet tegenover mezelf en niet tegenover vrienden en familie die er voor me willen zijn. Daarom die afspraak: want echt contact, met de mensen om je heen, is het allerbelangrijkst.

Maar daarna is het goed te kunnen delen. En hoe mooi is het dan dat juist die online wereld, die zo vaak alleen de perfecte buitenkant, het oppervlakkige plaatje laat zien, zich daar ook voor leent.

Dat is dan wel weer bijzonder.

Dank jullie wel!

Het gaat niet steeds een beetje beter.

Soms loop ik gewoon vast. Of ga ik heel hard onderuit.

Het is deze maand drie jaar geleden dat ik mijn baan opzegde. Een beslissing waar ik geen moment spijt van heb gehad. Het startpunt van een confronterende periode. Het begin van deze blog.

En echt, het gaat veel beter met me dan toen.

Ik ben inmiddels weer zo lang aan het werk dat ‘die periode’ niet meer in elk kennismakingsgesprek naar voren komt. En dat is goed. Want ik zou mezelf niet meer definiëren in termijn van ‘mijn proces’.

Maar hoewel ik langzaam los leer laten, ‘het’ laat mij niet meer los.

Ik ben overspannen geweest, en depressief. Er zijn dagen geweest dat het leven voor mij niet meer hoefde. Ik ben blij dat ik nooit de neiging heb gehad er actief een einde aan te maken. Maar ik kan me echt iets voorstellen bij mensen die niet meer verder willen.

En soms komt dat terug.

Er zijn dagen, weken, maanden dat ik eigenlijk mijn bed niet uit wil komen. Deze november, bijvoorbeeld. Het gekke is: ik geniet van mijn werk en, al zijn de dagen vol, ze vliegen voorbij. Ik steek mijn energie in dingen voor de kerk en beleef er oprecht plezier aan. Ik breng tijd door met vrienden en familie en geniet ervan.

En toch, menig ochtend is een worsteling om überhaupt mijn bed uit te komen. Lijkt er niets in de dag aantrekkelijk genoeg om voor op te staan. Voel ik me ’s avonds op de bank na de zoveelste Netflix aflevering eenzamer dan ooit.

Ik weet dat ik de enige ben die die spiraal verbreken kan. Maar ik heb er soms gewoon de energie niet voor.

Het helpt natuurlijk niet dat ik op zaterdag zo lang blijf liggen dat ik geen tijd meer heb om hard te lopen. Dat ik aan het begin van de werkdag mijn stille tijd maar oversla. Of dat ik in plaats van voor mezelf te koken val voor de afhaalverleidingen van de langste straat van Nederland.

Misschien is dat ook wel leven uit genade. Dat ik dat mezelf niet hoef te verwijten. Maar dat er ook echt ruimte is voor verandering.

Want ergens weet ik dat het ook weer beter kan. Dat het ook weer beter zal, dat op een ochtend gewoon de zon weer schijnt. Maar ik wil er eigenlijk niet op wachten. Want iets in mij wil nu leven, in dit moment.

Recent voerde ik met een goede vriend een gesprek dat eigenlijk vooral ging over single zijn, maar waarvan zijn conclusie van toepassing is op veel meer dan dat: ‘Ik geloof echt dat ik nu, hoe ik ben en wat ik ben en waar ik ben, precies ben op de plek die God voor me heeft bedoeld’.

Dat wil ik ook geloven. Want ik geloof wel in een plan en in een toekomst. Maar dat heden, daar heb ik vaak minder vertrouwen in.

Het leven gaat nu eenmaal niet steeds een beetje beter. Maar het is wel goed zoals het is.

Vakantiestress

De meeste mensen hebben er van tevoren last van. Mijn onderburen bijvoorbeeld, bij wie een week of wat geleden op zondagmiddag de hele tuin bezaaid lag met kledingstukken, waartussen ze driftig heen en weer renden. Ze hadden een dag eerder besloten toch op vakantie te gaan en zouden die avond vliegen. Best iets bij voor te stellen.

Bij mij zou dat anders gaan. Sowieso beslis ik niet een dag van tevoren waar ik heenga: ik vind de voorpret veel te leuk. En verder: ik plan, organiseer, lees me in, maak lijstjes en weet al twee weken van tevoren exact waarvoor ik nog naar de Kruidvat moet.

Nee, mijn vakantiestress kwam dit jaar achteraf.

Ik was er flink aan toe, aan die vakantie. En hij was prachtig. We wandelden, lazen boeken, verkenden schitterende steden en genoten van de Italiaanse keuken. Het weer was fantastisch en zelfs mijn buik gedroeg zich alleszins redelijk.

En toen was het over.

Moest ik weer werken.

De dagen na mijn vakantie was ik doodmoe en deden er meer spieren zeer dan ik wist dat ik bezat. Ik baalde, want ik had alle ontspanning van een half jaar in die twee weken geprobeerd te proppen en het was me niet gelukt. Ik had een handvol boeken, een paar duizend hoogtemeters en twee seizoenen Downton Abbey van mijn lijstje gestreept en het voelde alsof ik, ondanks dat, niet alles uit die weken had gehaald.

Vakantie mislukt.

Tot ik me de belofte herinnerde die ik ooit aan mezelf deed: om niet meer te leven voor de vrijdag, voor het weekend. Volgens mij geldt hier namelijk precies hetzelfde voor.

Misschien is het de kunst om, om te beginnen, niet zoveel spanning op te bouwen. Spanning die je niet hebt, hoef je immers ook niet kwijt te raken. Misschien kan ik mezelf iets minder uitputten, dan hangt er ook niet zoveel meer van die paar weken af. Misschien kan ik me best eens een dagje moe voelen, zonder dat daarmee de vakantie, of een weekend, is mislukt.

Misschien kan ik de lat eens iets minder hoog leggen, ook die voor mijn vakantie.

En ja, natuurlijk weegt een dag op kantoor niet op tegen een uur in de bergen. Maar eigenlijk heb ik gewoon wel een heel erg leuke baan. Dus laat ik daar maar eens van gaan genieten.

(Niet) te fixen

Volgens psychiater Dirk de Wachter zijn we geobsedeerd door geluk: We zijn te zeer bezig met gelukkig zijn. We willen zo nodig dat alles altijd leuk, leuk, leuk is.

Je zou zeggen dat ik na vijftien blog posts vol worstelingen met het leven daar niet meer zo’n last van had. Maar dat is helaas niet waar.

Ik weet dat het leven niet altijd leuk is. Ik weet dat ik geneigd ben eerder naar de schaduw- dan naar de zonzijde van het leven te kijken. Ik weet dat het leven mooi, maar ook ontzettend ingewikkeld is. En sinds ik een jaar of twee geleden met deze blog begon weet ook de rest van de mensheid dat van mij.

En toch, ik ben er niet oké mee.
(Vergeef me het Anglicisme.)

Ik wil het fixen, elk beetje verdriet. Ik wil de oorzaak vinden en die met wortel en tak uitroeien. Ik wil er iets aan doen. Ik wil het overnemen, als het een ander betreft. Ik wil het veranderen, de weg naar buiten of naar boven vinden. En in het allerergste geval, als dat echt niet kan, dan wil ik het dapper zien als een “blessing in disguise” en vol geloof de pijn aanvaarden.

Maar soms kan dat gewoon niet.
En misschien hoeft het ook wel niet.

Daar zegt de Wachter namelijk ook iets over: U slecht voelen behoort tot de gewonigheid van het leven, niet altijd en overal, maar af en toe is het heel normaal. Verdriet is geen psychiatrische afwijking.

Ik vind dat moeilijk: gewoon erkennen dat ik een rotdag heb, zonder het gelijk te relativeren. Toegeven dat iets pijn doet zonder het onmiddellijk weg te lachen. Eerlijk zijn over dat ik me soms eenzaam voel, zonder me schuldig te voelen richting trouwe vrienden. De pijn van mijn geliefden voelen, zonder er iets aan te kunnen doen. Mijn tranen laten gaan, zonder direct een oplossing te willen bedenken.

Al die therapeuten verder vind ik dat nog steeds verrekte moeilijk, dat ik de pijn niet oplossen kan. Dat ik niet meer kan doen dan het gewoon accepteren.

En misschien is dat ook wel weer niet zo slecht. Want zit in dat verlangen om te veranderen, te verbeteren, op te lossen, ook niet gewoon een sprankje hoop? Hoop dat het anders kan, beter wordt?

Maar misschien niet alles tegelijk.
En ook niet alles door mij.

PS Citaten zijn afkomstig uit dit artikel.

Dat heb ik dan in ieder geval al wel geleerd

Een paar weken geleden meldde ik me ziek. Ik had al een week hoofdpijn, mijn spieren deden zeer en mijn stem klonk ook al dagen niet zoals het zou moeten zijn.

Ik had het dus wel aan kunnen zien komen. En ik sluit niet uit dat mijn omgeving dat zelfs deed. Alleen ik zelf niet. Of eigenlijk misschien ook wel.

Maar wie meldt zich nu ziek met een verkoudheid? De agenda stond vol, het leven ging door, en ik dus ook.

Totdat.

Het weekend niet lang genoeg bleek en ik op maandagochtend echt niet verder kon. Daar zat ik dan, op mijn bank te kijken naar de muren van mijn woonkamer.

Uiteraard zei ik al die eerste middag: ‘vervanging voor morgen is niet nodig, want dan ben ik er gewoon’. Mijn collega’s waren zo verstandig het maar wel gewoon te regelen.

De ontzettend goed bedoelde reacties in de trant van ‘zorg je wel goed voor jezelf’ bezorgden me het idee dat ik gefaald had.

Weer niet op tijd aan de rem getrokken.
Weer mezelf voorbij geleefd.
Weer niets geleerd van de vorige keer.

En toch is dat niet waar. Want twee jaar geleden zat ik al vier maanden op die bank naar mijn muren te staren en was het einde daarvan nog bepaald niet in zicht. En ook vorig jaar, toen ik al lang weer werkte, was ik waarschijnlijk nog veel langer doorgegaan voordat ik tot stilstand was gekomen.

Ja, ik had het aan kunnen zien komen.
Ja, ik had eerder kunnen stoppen.
Maar ik had ook nog langer door kunnen gaan.

Want hé, ik ben die maandagochtend wel gestopt. En na twee dagen had ik ook echt weer zin en energie om aan het werk te gaan. Heel verstandig heb ik het toen zelfs bij een halve werkdag gelaten. Toegegeven, dat was niet zonder enig aandringen van collega’s.

Dus. Ben ik eigenlijk best trots op mezelf.

Natuurlijk was het fijn geweest als ik een weekje eerder ingegrepen had. Dan had ik wellicht alleen maar een beetje hoeven remmen en was stilstand niet eens nodig geweest.

Dus als iemand me kan vertellen hoe je ervoor zorgt dat je niet altijd in de hoogste versnelling leeft, houd ik me aanbevolen.

Tot die tijd, heb ik blijkbaar gewoon nog iets te leren. En net als iedereen heb ik daar tijd voor nodig.

Dat heb ik dan in ieder geval al wel geleerd.

‘Waarom raakt dat je nu zo?’

Er hoeft niet veel voor te gebeuren: een oprecht ‘hoe gaat het’ op een dag vol pijn; het gevoel van onmacht als een ander niet begrijpt wat ik bedoel; dat moment waarop aan het einde van een lange dag net ook nog net mijn yoghurt op is in de supermarkt.

En daar gaan ze.
De tranen.
Hoe hard ik ze ook wegduw.

Want als degene tegenover me dan ook nog vraagt ‘waarom raakt dat je nu zo’, dan verandert die krampachtige grimas onherroepelijk in een tranenvloed en kun je de tissues wel gaan aanslepen.

Ze hebben altijd losgezeten trouwens. We waren een jaar of vijftien, mijn vriendin mocht mee op vakantie en ’s nachts, naast elkaar in bed, lagen we ieder te huilen om ons eigen boek. Wat dat betreft is er, in ieder geval bij mij, weinig veranderd: verhalen raken me gewoon.

Nu gaat dat met een boek in bed nog wel, maar op elke andere locatie vind ik die tranen gewoon zo vreselijk stom.

Ik ben bang dat anderen die ze zien dwars door me heen kijken, dat ze denken: ‘Je doet je nu wel weer aardig voor, maar in feite ben je zo labiel als wat’. Dat ik op een zeker moment door de mand val omdat ik toch niet zo sterk blijk te zijn als ik iedereen heb laten denken.

En daarom doe ik er alles aan om niet te huilen, met uiteraard precies het tegenovergestelde resultaat.

En eigenlijk is dat vreemd. Want het zijn helemaal niet die anderen – de collega’s, de coach, de kringgenoten – die iets van me vinden: dat ben ik zelf. Ik heb nog nooit een ander afwijzend zien reageren op mijn tranen. De eerste van mijn huidige collega’s die me zag huilen zei enkel: ‘het toont alleen maar aan dat je emoties hebt’ en dat was dat. En ik heb ook helemaal niet iedereen laten denken dat ik heel sterk ben.

Ik, die al twee jaar kwetsbaarheid predik, vind zelf die tranen blijkbaar toch een brug te ver.

Aan het einde van de afgelopen zomer had ik een dipje. Zo’n kuil waar ik steeds maar in blijf vallen, maar met elke keer wel sneller op zou moeten leren staan. Ik schreef een briefje met voornemens, met dingen om te doen. Vanavond vond ik dat:

  • Elke week hardlopen: dat is me wel gelukt;
  • Werkmailaccount: van mijn telefoon verwijderd;
  • Boeken lezen, elke dag: zelfs dat gebeurt.

Alleen het “accepteren dat ik gevoelig ben”, dat er ook op stond, dat gaat nog niet zo goed.

Ik denk wel dat dat het antwoord is namelijk.

Ik ben zo bang dat ik mezelf bedrieg. Ik heb al maanden geen blogpost geschreven en mijn dagboekpagina’s blijven maagdelijk wit. Ik dacht dat dat was omdat het beter met me ging. Maar als ik dan in tranen uitbarst om een simpele vraag, dan moet er toch, diep vanbinnen, nog iets mis met me zijn?

Maar misschien is die gedachte het enige wat er mis is.

Misschien huil ik inderdaad wel sneller, vaker, harder dan een ander. Maar misschien heeft dat wel helemaal niets te maken met labiel zijn.

Ik weet niet hoe het is ontstaan, die angst voor tranen. Ik wil het denk ik niet eens weten. Misschien is dat accepteren ook nog wel heel ver weg. Maar ik kan toch in ieder geval stoppen met krampachtig tegenhouden.

Zou dat dan dat ‘loslaten’ zijn?

PS Er stond nog iets op dat lijstje: “Accepteren dat ik slim ben, dat dat mogelijkheden biedt én af en toe lastig is”. Dat durf ik hier haast niet op te schrijven; want wie denk ik wel niet dat ik ben? Daarom een volgende keer meer.

Blog at WordPress.com.

Up ↑