Ik heb het mezelf in de afgelopen maanden tientallen keren horen zeggen. “Ik heb dan wel een coach, maar die helpt me vooral richting te bepalen: ik weet niet zo goed meer wat ik wil.”

Niet dus.

Welkom in de werkelijkheid. Niet wat ik wil is het probleem, maar wie ik ben. Of eigenlijk: wie ik mezelf laat zijn.

Onverwacht misschien, voor degene die door haar blogs de hele wereld in haar ziel laat kijken. Vreemd wellicht, voor het refomeisje dat Bedrijfskunde studeerde en koos voor een baan in de financiële sector. Raar zelfs, voor degene die drie weken alleen vakantie vierde en de dag erna haar baan opzegde.

Zelfvertrouwen is dan ook niet echt het juiste woord. Ik geloof best dat ik dingen kan. Heb na de derde klas geen onvoldoende meer gehaald. Krijg zelden anders dan positieve feedback. Als ik maar bevestiging krijg. Daar ben ik dan ook haast wanhopig naar op zoek.

Opgegroeid in een cultuur waar veel is “omdat het hoort”, wil ik vooral niet anders zijn. Met het eeuwige stempel “hoogbegaafd” doe ik er alles aan niet op te vallen. Buitengesloten in de brugklas blijf ik doodsbang er niet bij te horen. “Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad” vergeet ik dat ik tegelijk een geliefd kind van de Vader ben.

Zelfbeeld is wat ik eigenlijk bedoel. Ik ben doodsbang voor wat je van me vindt. Heb helemaal geen olifantenhuid. Trek me alles aan.

Als ik straks een nieuwe functie vind, moet dat wel echt mijn droombaan zijn. Ik kan dan stoer mijn baan opgeven, maar moet het de wereld wel uit kunnen leggen. Toen iemand me laatst vroeg of ik “overspannen ben” wist ik niet hoe snel ik moest ontkennen. Overspannen: dat is, net als niet weten en onzekerheid, falen van het ergste soort.

Zijn “dat is geen schande” drong pas veel later tot me door. En ik hoor het je nu ook denken. Dat doet me goed. Echt waar. Toch is het niet genoeg.

Voor het oordeel van anderen ben ik namelijk bang. Maar dat van mezelf is vele malen harder.

Het zijn de kleine dingen. Helaas komen die het vaakst voor. Het moment dat ik wéér niet van een puistje af kan blijven, van de snooze knop, van chocola of van mijn telefoon. Of iets groter: met een moeder in maatje 36 vind ik mezelf eindeloos te dik. Zevenentwintig en nog steeds alleen ben ik ervan overtuigd dat ik gewoon niet leuk genoeg ben. Van de lach die anderen “uitbundig” noemen heb ik een diepe afkeer. En met elk taartje dat ik eet, elke avond alleen op de bank en elke uitbarsting van hilariteit kan ik mezelf wel slaan. Eigenlijk doe ik dat ook. Alleen niet fysiek.

Ik zit vast in mijn eigen vooroordelen. En misschien is dat precies wat me ervan weerhoudt om echt te zijn.

Misschien kun je pas zijn als je eerst accepteert wie je bent.