Het maakt me boos.

Iemand met een burn-out die je gewoon tegenkomt op feestjes, terwijl voor mij – enkel overspannen – een enkele koffiedate al teveel kon zijn.

Een ander die tegen me klaagt over een zere schouder, blijkbaar niet beseffend dat ik van de afgelopen drie jaar misschien vier dagen pijnvrij ben geweest.

Een volgende die, als ik eindelijk eens iets durf te zeggen over mijn eigen hoogbegaafdheid, zich hardop afvraagt of haar kind dat misschien ook is: het kan immers al voor zijn zesde verjaardag lezen.

Hoeveel er ook te zeggen zou zijn over de devaluatie van het b-woord, een zeker gebrek aan tact, of de neiging al te gemakkelijk etiketjes te plakken, mijn reactie zegt vooral iets over mij.

Blijkbaar ben ik bang iets te verliezen als een ander meer overspannen is, ergere pijn heeft, of slimmer lijkt te zijn dan ik.

Blijkbaar ben ik bang er minder van te worden als mijn verhaal het ergste niet meer is.

Blijkbaar vind ik het nodig mijzelf met anderen te vergelijken, een oordeel uit te spreken.

Blijkbaar zijn mijn overspannenheid, mijn rugpijn en mijn intelligentie gaan bepalen wie ik ben.

En dat is niet eerlijk. Niet tegenover de ander. Maar ook niet tegenover mijzelf.

Want ieder heeft recht op zijn eigen pijn, zijn eigen verhaal. En daar valt helemaal niets aan te vergelijken.

Ik hoor het mezelf vertellen tegen de nieuwe, tijdelijke, collega’s waarmee ik kennismaak. Dat ik – eenmaal thuis na mijn besluit Rabo te verlaten – erachter kwam dat ik mezelf toch wel iets te hard voorbijgelopen was.

Blijkbaar heb ik de behoefte mezelf te definiëren in termen van “mijn proces“.

Begrijp me niet verkeerd. Het is waardevol als dat bespreekbaar is. Ik schrijf dit immers ook niet voor niets..

Maar mijn krampachtige “ik was enkel overspannen” is in feite niets anders dan een schreeuw om aandacht, erkenning, bevestiging.

Blijkbaar ben ik op zoek naar acceptatie van “mij met mijn verhaal”.

Acceptatie die ik niet nodig heb. Zou moeten hebben.

Hoezeer dat proces, die overspannenheid, de pijn me ook gevormd heeft, ik ben het niet geworden.

Ik ben gevormd, zoals een ander door een chronische ziekte, de scheiding van zijn ouders, door op te groeien in een extreem orthodoxe kerk. Ik ben gevormd, zoals wij allemaal.

Ik ben kwetsbaarder geworden, fragieler. Onzekerder, soms, maar misschien ook juist wel sterker.

Maar ik ben niet mijn pijn.